Het verhaal van Gaby

‘Hoe kom je er nou aan?’, vragen veel mensen. ‘Hoe kom je er weer af?’, zeg ik dan.

‘Kan iedereen het krijgen?’ ‘En hoe wist je nou dat je dit had?’

Het was op een mooie, regenachtige herfstdag in Maart. Om precies te zijn op 6 Maart 2009. Ik was aan het werk samen met mijn twee lieve, doch alcohol verslaafde collega’s. Af en toe werd er door deze heren tijdens het werk een glas water genuttigd. Dat bleek achteraf een glas wodka te zijn. De goedkoopste wodka van de baas, dat wel, maar dat maakt niet uit voor het alcoholpercentage in je bloed. Die bleef overigens stijgen bij mijn twee collega’s.

G (3)Het was nog vroeg in de avond en de zaak was wat leeg. Stilte voor de storm. Mijn alcoholistische collega zei: ‘Waar zijn al jouw vrienden?’ ‘In mijn tijd zaten we allemaal in de kroeg.’ Mijn vrienden hebben wel een leven en jij zit in mijn tijd nog altijd in de kroeg. Ook al krijg je er nu voor betaald. En waar zijn jouw vrienden dan nu eigenlijk? Even voor de goeie orde, dit denk ik, maar zeg ik niet. Je weet namelijk nooit hoe een beschonken persoon reageert.

Twee weken eerder stond er nog een druipende man met een mes in de zaak. Druipend van het bloed. Ik zei tegen mijn andere alcoholistische collega dat we meteen de politie moesten bellen. Die schonk nog een biertje in. Hoe later op de avond, hoe minder verborgen het drinken werd. Ik pakte de telefoon.

Het werd wat drukker in de zaak en ik liep de keuken in om eten te halen voor de gasten. Mijn alcoholistische collega, die vroeger met zijn vrienden altijd in de kroeg zat, had hetzelfde idee. Op hetzelfde moment probeerden wij door dezelfde deuropening te gaan. Dit mislukte. Ik gleed op het opstapje uit en neigde naar vallen. Nu heb ik altijd gedanst (tot die avond, maar dat wist ik toen nog niet) en weet ik hoe ik met gewicht verschuiving mijn balans weer stabiel kan maken. Ik leun naar voren en zwaai mijn arm naar achteren. Aangezien het in de deuropening begon, staat er een deurpost. Niet heel abnormaal. Het elektrische botje (zenuw ulnaris of die andere) slaat met een keiharde klap recht tegen de rand van de deurpost. Auw! Denk ik.

G (1)Ik loop naar voren, zie mijn andere alcoholistische collega en probeer achter de lift niet te gaan schreeuwen. Mijn arm tintelt en vindt de klap niet leuk. Mijn alcoholistische collega die het zag, zegt: ’Zo, dat doet vast pijn!’ Ik lach als een boer met arm- en -kiespijn. Weet je wat, ik neem wel even pauze nu, dan eet ik mijn avondeten en dan kan ik tien minuutjes bijkomen. Toen wist nog niet dat ik mijn bord salade met warme gegrilde groenten, Turks brood en tapenade niet door mijn keel kon krijgen. Na tien minuten had ik genoeg van het zitten en de pijn. Als ik nu gewoon door werk dan heb ik afleiding en dan gaat het heus wel weg, dacht ik niet wetend dat ik anderhalf jaar later een column erover zou schrijven hoe mijn aandoening is ontstaan.

Ik pak een bierglas en tap bier erin. Tenminste, dat was het plan. Mijn linkerarm wilt het bierglas niet vasthouden en het glas valt op de grond. Nog een keer proberen. Het lukt niet, de functie linkerarm valt uit. Mijn alcoholistische collega grijpt snel in. Als het om bier gaat is hij er als de kippen bij.

Ik ga weg van mijn werk, toen wist ik nog niet dat het mijn laatste werkdag was in het bedrijf. Ik ga maar naar de dokter. Mijn alcoholistische collega vraagt of het zo erg is. Ik begin te hard te huilen. Ik weet het niet, het zal wel meevallen, maar nu doet het pijn. Ik fiets weg, maar bij het museumplein aangekomen stop ik en zoek ik beschutting in een portiek. Ik moet de dokter bellen, maar mijn linkerarm wilde mijn fiets niet vasthouden. Ik moet naar de dienstdoende huisarts komen in de rivierenbuurt. Dat is nog wel even fietsen. Ik ben bang daar te komen, terwijl er toch niets aan de hand is.

De dokter ziet mijn arm en belt de eerste hulp dat ik eraan kom. Even melden bij de Eerste hulp receptie. Even wachten in de eerste hulp wachtkamer. Nog even wachten. Ik mag in het kamertje komen. Level 1. Er is een aardige jonge arts. Ik doe mijn jas uit en schrik me kapot. Mijn arm is dikker dan mijn been! Ik moet van de schrik weer huilen. Is er toch iets mis? De jonge arts vraagt of ik nog geen pijnstiller heb gehad. Hij wil me meteen een injectie geven. Ik zeg nog net dat ik astma heb, voordat hij de spuit in mijn andere arm steekt. Nu mag ik de injectieniet meer hebben en krijg twee paracetamol ervoor in de plaats. Toen wist ik nog niet dat ik anderhalf jaar later een constante paracetamol spiegel als basis in mijn bloed zou hebben.

G (2)

Ik heb mijn vriendje aan de telefoon die met zijn vrienden op stap is in Rotterdam. ’Je moet niet schrikken, ik heb een ongelukje gehad, maar het gaat wel hoor.’ ’Waar ben je?’ vraagt hij. ‘Oh, in het ziekenhuis, maar ik kom morgen gewoon naar je ouders in Rotterdam.’

Het is half 1 ‘s nachts en ik fiets met mijn arm in een mitella naar mijn huis. Het is koud. Ik neem sterke pijnstillers van het ziekenhuis in en bibber vrieskoud in bed. Ik probeer een trui aan te trekken. Dit wil mijn linkerarm niet. Ik heb lange wintersokken, een dikke pyjama broek, een hemdje, een T-shirt en een trui (half) aan en ik bibber nog. Ik bel mijn vriendje. Slechte techno muziek op de achtergrond. ’Wat een klote muziek!’ Zeg ik. ’Ja hè!’schreeuwt mijn vriendje in de telefoon en dan nog een verhaal over binnen komen in een club.

Ik zeg: “Mijn arm is zwaar gekneusd, maar dat heb ik wel vaker gehad.‘ Na zes weken ben ik de oude weer!’ ‘Misschien wel eerder, want ik genees snel.‘

Toen wist ik nog niet dat ik er niet meer vanaf zou komen. Van niet meer warm kunnen worden in de nacht, doordat mijn lichaam teveel pijn heeft verdragen gedurende de dag. Van de rare morfine praat en dyslectisch fout spellen. Van de morfine. Van de pijn. Op 6 Maart 2009 heb ik een in verhouding niet te vergelijken klap gemaakt, die grote gevolgen zou hebben. Sindsdien mijd ik mijn oude werk en deurposten.